Vraag Open Legal Advocaten

  • dirko
  • dirko's Profielfoto
  • Offline
  • Spammer
  • Spammer
  • Als iets niet kan, kan het tóch. Overste Ranft.
Meer
3 weken 2 dagen geleden - 3 weken 2 dagen geleden #57521 door dirko
..

Hier vindt u de stukken inzake de aanklacht van Ondernemers tegen de NL Staat, vordering tot getuigenverhoren, kompleet overzicht.

Interessante ontwikkelingen…:


Hopen en duimen op een dit keer niet corrupte rechter, rechters..

De draad geheel kwijt. Soms Bang, maar altijd Olufsen.!!
Laast bewerkt: 3 weken 2 dagen geleden door katertje.
De volgende gebruiker (s) zei dank u: katertje, [Guzzi]

Gelieve Inloggen om deel te nemen aan het gesprek.

Meer
2 maanden 4 weken geleden - 2 weken 2 dagen geleden #57320 door katertje
Sommatie aan van Dissel en DeJonge om grove misleiding, massale desinformatie en angstboodschappen te staken:

Tot het kantoor van de Open Legal Advocaten hebben zich meerdere belanghebbenden gewend met het verzoek hun belangen te behartigen met betrekking tot de Coronamaatregelen. Hun cliënten ondervinden reeds een jaar lang zowel persoonlijk als zakelijk in aanzienlijke mate hinder van de ingrijpende coronamaatregelen, zoals opgelegd door de Nederlandse overheid.
Hetzelfde geldt voor het merendeel van de burgers.

Coronamaatregelen
Cliënten stellen zich de vraag in hoeverre op goede grond nog langer kan worden vastgehouden aan het huidig coronabeleid. Een beleid waarbij alle Nederlandse burgers zich binnen de tijden van een avondklok, zonder fysiek contact en voorzien van een mondmasker, angstig voortbewegen binnen een volledig lamgelegde samenleving. Een beleid dat erop gericht is om zelfs onze kinderen lijdend voorwerp te laten zijn van grootschalige onnodige testcampagnes en waarbij inmiddels de eerste voorbereidingen worden getroffen tot het instellen van een vaccinatiepaspoort.

Zelfs al zou het merendeel van de bevolking op enig moment ingeënt zijn met de fel gepropageerde vaccins, dan nog geldt dat de overheid haar burgers geen enkele garantie kan bieden dat de opgelegde overheidsmaatregelen zullen kunnen worden teruggeschroefd. Aanvullend geldt dat van deze vaccins überhaupt niet bekend is of zij werkelijk bescherming bieden tegen ziekte en overlijden, zeker als het om varianten gaat. Verder is nog niet bekend of zij de keten van transmissie onderbreken en dus of gevaccineerde mensen nog in staat zijn om het virus verder te verspreiden. Evenmin is bekend in hoeverre het gebruik van de vaccins op langere termijn tot bijwerkingen en hiermee tot lichamelijke schade zullen leiden.

Hetgeen wel met zekerheid kan worden gesteld, is dat cliënten en met hen tal van andere burgers als gevolg van de getroffen overheidsmaatregelen economisch, fysiek en mentaal in toenemende mate schade leiden. Cliënten zijn stellig van mening dat het tot op heden gevoerd coronabeleid zo spoedig mogelijk een halt dient te worden toegeroepen. Om die reden wenden wij ons tot u.

Besmettingscijfers
Vaststaat dat alle door de overheid getroffen coronamaatregelen hun grondslag vinden in de ‘besmettingscijfers’ zoals geïnterpreteerd door het RIVM, beter verwoord als positieve PCR-testresultaten. Het RIVM stelt de richtlijnen op voor de uitgevoerde PCR-testen en adviseert op basis van de testresultaten het Ministerie van VWS ten aanzien van het door haar te voeren coronabeleid. Het RIVM ontvangt de testresultaten van de ziekenhuizen en GGD’s, die op hun beurt de PCR-testen uitvoeren via de teststraten en andere testlocaties.

Het voorgaande heeft kort gezegd tot gevolg dat voor zover er wezenlijke gebreken zouden kleven aan de wijze waarop de PCR-test bij COVID-19 wordt gebruikt, de hieruit voortvloeiende testresultaten onvoldoende betrouwbaar zijn. In zodanig geval kunnen deze testresultaten niet als wetenschappelijke basis dienen voor de tot op heden getroffen overheidsmaatregelen.

Zoals u ongetwijfeld bekend, kan de huidige wijze waarop de PCR-test bij COVID-19 binnen Nederland wordt gebruikt van meet af aan op bijzondere wetenschappelijke kritiek rekenen. De vraag is of de wijze waarop dit testbeleid plaatsvindt deze toets der kritiek kan doorstaan. Cliënten zijn van oordeeldat dit om meerdere redenen niet het geval is en zij stellen daartoe het volgende.

Corman-Drosten paper
De wijze waarop de PCR-test bij COVID-19 tot op heden wordt gebruikt vindt haar oorsprong in de ‘Corman-Drosten’ paper. Deze paper is onder andere door de heren Corman en Drosten op 21 januari 2020 ingediend bij Eurosurveillance. Op 22 januari 2020 is de paper door de editorial board van Eurosurveillance goedgekeurd en op 23 januari 2020 is deze door Eurosurveillance online gepubliceerd.
(..)
Opvallend is dat aan de totstandkoming van de Corman-Drosten paper maar liefst negen personen gelieerd aan het RIVM als auteur hun inhoudelijke bijdrage hebben geleverd. In dit verband zijn tenoemen de heer Richard Molenkamp, de heer Adam Meijer, mevrouw Daphne Mulders, de heer Bart Haagmans, de heer Bas van der Veer, mevrouw Sharon van den Brink, mevrouw Lisa Wijsman, mevrouw Chantal Reusken en mevrouw Marion Koopmans.
De Corman-Drosten paper beschrijft als zodanig het testprotocol om het COVID-19 virus in de praktijk te detecteren. Vaststaat dat de SARS-CoV2 PCR-test kits, die worden gebruikt om Nederlandse burgers te testen op de aanwezigheid van het COVID-19 virus, zijn ontworpen op basis van het beschreven protocol.

Peer review
Medio 2020 heeft dr. Pieter Borger, moleculair bioloog en PCR-deskundige, telefonisch contact opgenomen met een woordvoerder van het RIVM, de heer Coen Berends. Deze bracht hem in e-mail contact met de heer Adam Meijer van het RIVM, zoals gezegd een van de auteurs van de CormanDrosten paper.

Op basis van zijn jarenlange wetenschappelijke achtergrond, is de heer Borger expert op het vlak van PCR-testen te noemen. De reden waarom de heer Borger de heer Meijer had benaderd, was omdat hij na bestudering van de Corman-Drosten paper een aanzienlijke hoeveelheid wetenschappelijke gebreken ten aanzien van de paper had vastgesteld. Kort gezegd, kon de heer Borger zich niet voorstellen dat de paper door PCRexperts peer-reviewed was.
Als editor van wetenschappelijke tijdschriften, is de heer Borger immers zelf bekend met peer review processen.


Het feit dat de paper op 22 januari 2020 door de heren Corman en Drosten bij Eurosurveillance was aangeboden en reeds een dag later als ‘erkende wetenschap’ door Eurosurveillance voor publicatie werd goedgekeurd, sterkte de heer Borger in zijn vermoeden dat peer review ten aanzien van de paper onmogelijk had plaatsgevonden. Een peer review van een wetenschappelijk artikel beslaat doorgaans
immers een periode van enkele weken tot zelfs enkele maanden.

Opvallend is dat op het moment waarop de heer Borger bij de heer Meijer verifieerde of de CormanDrosten paper voorafgaand aan goedkeuring en publicatie door Eurosurveillance peer-reviewed was, de heer Meijer zonder meer het contact met de heer Borger verbrak. In reactie hierop heeft de heer Borger met dezelfde vraag dan maar rechtstreeks contact gezocht met Eurosurveillance, waarbij hij uiteindelijk is doorverwezen naar het eerder genoemde ECDC. Ook het ECDC weigerde om inhoudelijk op de vraag van de heer Borger in te gaan. In een kort mailbericht dat de heer Borger op 18 november 2020 van het ECDC in dit verband ontving werd aangegeven dat : “Disclosure would undermine the purpose of scientific investigations” en “diclosure would seriously undermine the decision making process of the ECDC”.

Opmerking verdient overigens dat de heren Corman en Drosten beiden zelf deel uitmaken van de editorial board van Eurosurveillance. Ook kunnen vraagtekens worden geplaatst bij enkele andere leden van deze editorial board, op grond van belangenverstrengelingen. Zo bevinden zich onder de leden de directeur en de wetenschappelijk adviseur van een bedrijf dat de PCR-testkits fabriceert en verkoopt.
Deze PCR-testkits zijn gebaseerd op het Corman-Drosten protocol, waarbij verbazing wekt dat de verkoop hiervan reeds was gestart nog voordat de officiële publicatie van de Corman-Drosten paper überhaupt had plaatsgevonden. U begrijpt dat de verkregen reacties op de vraag van de heer Borger, in combinatie met deze feitelijke situatie, op zijn minst vragen oproept.

De heer Borger merkt in dit verband op dat het juist in het algemeen belang van het wetenschappelijk onderzoek is dat aantoonbaar een peer review van een dergelijke paper plaatsvindt en dat dit effectief kan worden aangetoond. Temeer gezien de ‘gouden standaard’ status die aan de Corman-Drosten paper in het kader van het testen bij COVID-19 wordt toegekend. Het is onbegrijpelijk dat deze paper (nog steeds) dermate in nevelen gehuld is. Aangezien de PCR-test wordt ingezet als diagnostisch middel met bijzonder verstrekkende gevolgen, zoals verplichte quarantaine, dient de betrouwbaarheid ervan onmiskenbaar vast te staan. Transparantie is hierbij een noodzakelijk vereiste.
Totdat het tegenbewijs daartoe wordt geleverd, dient het ervoor te worden gehouden dat de CormanDrosten paper niet peer-reviewed is. Voor zover dit wel het geval zou zijn, kan dit onmogelijk op deugdelijke wijze hebben plaatsgevonden. In ieder geval blijkt uit alles dat Eurosurveillance hier bewust niets over vrijgeeft.

Voorts is merkwaardig dat de Corman-Drosten paper überhaupt dermate snel aan Eurosurveillance was aangeboden, te weten op een moment waarop nog slechts een zestal COVID-19 sterftegevallen bekend waren. Sterker nog, ]het Corman-Drosten protocol zoals geschetst in de paper is aantoonbaar ontwikkeld nog voordat men de beschikking had over het virus. Op dat moment was het virus niet
geïsoleerd, was hierdoor niet eens duidelijk of het veronderstelde virus daadwerkelijk bestond en kon zodoende niet worden bepaald of het virus als oorzaak van een nieuwe ziekte kon worden bestempeld.
Pas een dag na publicatie van de Corman-Drosten paper, te weten op 24 januari 2020, publiceerden de plaatselijke Chinese wetenschappers in The New England Journal of Medicine zelf voor het eerst een officieel artikel over het gedetecteerde coronavirus in Wuhan. Op dat moment had de Wereldgezondheidsorganisatie de virusuitbraak overigens nog niet uitgeroepen tot een ‘Public Health
Emergency of International Concern’. Op deze dag werd ook voor het eerst melding gemaakt van een virusdetectie in Europa (Frankrijk) en op deze dag kwam ook het Outbreak Management Team van het RIVM voor het eerst samen.

Computersimulatie
Dit werpt de vraag op hoe de Corman-Drosten paper dan precies tot stand is kunnen komen. In werkelijkheid heeft de heer Drosten vanuit zijn thuisbasis in Duitsland en derhalve vanop afstand in no time een theoretisch computermodel van de benodigde genetische code van het virus ontworpen.
Hierbij heeft de heer Drosten zich louter gebaseerd op sociale mediaberichten (!) die leken te wijzen op een nieuw klinisch beeld dat de schijn had van SARS. Overigens is het voorgaande eenvoudig af te leiden uit de inhoud van de Corman-Drosten paper zelf, nu hierin wordt vermeld:

“In the present case of 2019-nCoV, virus isolates or samples from infected patients have so far not become available to the international public health community. We report here on the establishment and validation of a diagnostic workflow for 2019-nCoV screening and specific confirmation, designed in absence of available virus isolates or original patient specimens. Design and validation were enabled
by the close genetic relatedness to the 2003 SARS-CoV, and aided by the use of synthetic nucleic acid technology.”
en
“Before public release of virus sequences from cases of 2019-nCoV, we relied on social media reports announcing detection of a SARS-like virus. We thus assumed that a SARS-related CoV is involved in the outbreak. We downloaded all complete and partial (if>400 nt) SARS-related virus sequences available in GenBank by 1 January 2020.”


Oftewel, het beschreven testprotocol in de Corman-Drosten paper en hiermee de thans gebruikte PCRtest is aantoonbaar niet gestoeld op een echt virus dat geïsoleerd is uit een patiënt, dan wel op een grondig onderzocht klinisch beeld. Hooguit is aansluiting gezocht bij sociale mediaberichten, waaruit de detectie van een ‘SARS-like’ virus bleek te volgen. Deze gang van zaken geeft bijzonder te denken.

Wijziging testmethode
Toen in het najaar van 2020 de Nederlandse overheid een tweede coronagolf voorspelde, is de heer Borger zich opnieuw gaan verdiepen in de wijze waarop de PCR-test binnen Nederland wordt gebruikt. Met name kon de heer Borger niet rijmen dat enerzijds de zogeheten infection fatality rate (IFR) gedurende de periode april tot en met augustus 2020 aantoonbaar was gezakt tot de nullijn, welke nullijn in de periode augustus tot november 2020 aanhield, terwijl anderzijds volgens het RIVM het aantal positieve PCR-testresultaten structureel bleef stijgen.
Op basis van onderzoek bleek toen dat het RIVM de PCR-testmethodiek kennelijk naar eigen goeddunken had gewijzigd, hetgeen overigens later door het RIVM is bevestigd. Meer bepaald bestond de wijziging erin dat, daar waar de detectie van het Coronavirus aanvankelijk plaatsvond op basis van het testen van twee genen van de virusstreng, nog slechts met één gen werd getest. Oftewel, de PCRtest was aanzienlijk vereenvoudigd, uiteraard met gevolgen voor de testresultaten.

Hiernaast had het RIVM op of omstreeks 25 september 2020 in de richtlijn op haar website een wijziging aangebracht ten aanzien van het toetsingsmoment in verhouding tot de amplificatiecurve. Meer bepaald had zij het toetsingsmoment van een Ct-waarde van >30 verhoogd naar een Ct-waarde van >35. In de praktijk leidde deze verhoging ertoe dat in de testlaboratoria enkel nog boven de 35 cycli een beoordeling van de amplificatiecurve plaatsvond, met logischerwijs meer positieve PCRtestresultaten tot gevolg. Voorheen werden de PCR-testresultaten tussen de 30 en 35 cycli nog extra beoordeeld aan de hand van de curve.

Op de gerichte vraag van Tweede Kamerlid Wybren van Haga aan de heer De Jonge tijdens het Kamerdebat d.d. 14 oktober 2020, wat de precieze reden van deze wijziging was en op welk tijdstip de wijziging was doorgevoerd, volgde weinig meer dan dat de vraag van de heer Van Haga ‘waanzinnig technisch ingewikkeld’ van aard was en dat de heer De Jonge om die reden het antwoord schuldig diende te blijven.
In de bijgevoegde schriftelijke toelichting van het RIVM (*) op deze vraag van de heer Van Haga, volgde dan weer het weinig zeggend antwoord:
“De tekst op de website is 25 september 2020 aangepast. De aanpassing is gemaakt om de laatste
stand van zaken in ontwikkelingen van PCR-testen, andere type testen en ontwikkelingen op
diagnostiek gebied te communiceren. De aanpassing van de waarschuwing Ct-waarde is gemaakt
omdat de opgedane ervaring leert dat onder Ct 35 er geen twijfelcurves zijn.”
Over de aanpassing in de wijziging in het aantal genen waarmee wordt getest, gaf het RIVM in haar schriftelijke toelichting nog aan:
“De aanpassing aan aantal target genen in PCR-testen en andere typen testen is gemaakt om het veranderde landschap aan beschikbare en gebruikte testen in Nederland te beschrijven.”

Volgens de heer Borger is deze handelwijze van het RIVM hoe dan ook onbegrijpelijk en wetenschappelijk ontoelaatbaar. Bij het uitvoeren van een wetenschappelijke diagnostische test is immers van wezenlijk belang dat een standaard operationele procedure (SOP) wordt toegepast, dit om verzamelde data over een bepaalde periode op objectieve wijze met elkaar te kunnen vergelijken.
Wordt op enig moment de procedure gewijzigd en gaat men hierdoor met andere detectiemethoden werken, dan is een dergelijk vergelijkingsproces niet meer mogelijk. Deze wijziging maakt volgens de heer Borger dat het wetenschappelijk onverantwoord is om op basis van de gebruikte PCR-test te stellen dat het aantal positieve testresultaten in het najaar van 2020 ten opzichte van de periode
daarvoor zou zijn toegenomen. Nochtans is dit hetgeen de overheid haar burgers structureel heeft voorgehouden.

Retraction paper
In deze zelfde periode stelde de heer Borger binnen zijn internationaal wetenschappelijk netwerk vast dat meerdere academici en wetenschappers gelijkaardige bezwaren formuleerden ten aanzien van de inhoud van de Corman-Drosten paper. Deze academici en wetenschappers beschikken op basis van hun achtergrond over diepgaande kennis ten aanzien van PCR-testen. Onder hen bevindt zich zelfs de heer Michael Yeadon, voormalig Chief of Science van het farmaceutisch bedrijf Pfizer, nota bene een van de huidige COVID-19 vaccinfabrikanten.

Gezien hun toenemende kritiek op de inhoud van de Corman-Drosten paper, hebben een aantal van deze wetenschappers gezamenlijk op 1 december 2020 een zogeheten Retraction paper (*) ingediend bij Eurosurveillance. Op basis van deze Retraction paper3 hebben zij Eurosurveillance dringend verzocht om de publicatie van de Corman-Drosten paper vanwege haar vele gebreken in te trekken.

Aan dit intrekkingsverzoek heeft Eurosurveillance geen gevolg gegeven. Op 4 februari 2021 heeft Eurosurveillance ter zake een officiële reactie gepubliceerd. In haar reactie geeft zij aan dat peerreview van de Corman-Drosten paper vanwege de tijdsdruk via een zeer versnelde procedure hadplaatsgevonden. Naar eigen zeggen was peer-review niettemin in afdoende mate op de inhoud van
de paper toegepast. Ook stelde Eurosurveillance zonder noemenswaardige toelichting geen enkele aanleiding te zien om te kunnen spreken van belangenverstrengeling binnen haar editorial board. Om deze redenen zag Eurosurveillance geen reden om de paper in te trekken.

Het meest opmerkelijk is evenwel dat Eurosurveillance op geen enkele wijze inhoudelijk is ingegaan op de geuite wetenschappelijke kritiek ten aanzien van de paper. Dit zou men toch op zijn minst hebben verwacht. Hooguit werd door Eurosurveillance gesteld dat ‘het door de heer Corman e.a. gepubliceerd artikel wetenschappelijk toereikend was voor het doel ervan en voor de beperkte gegevens die in dat vroege stadium van de COVID-19-pandemie beschikbaar waren’.

U zult het ongetwijfeld met cliënten eens zijn dat de weinige mate aan transparantie ten aanzien van de Corman-Drosten paper en het hoge ‘de slager keurt zijn eigen vlees’ gehalte de betrouwbaarheid van het binnen Nederland gehanteerd testprotocol zoals gebaseerd op deze paper geen goed doet.

Gebrekkige toepassing PCR-test
De heer Borger en de andere academici en wetenschappers stellen zich op het standpunt dat de Corman-Drosten paper maar liefst tien wezenlijke gebreken kent, waarvan enkele gebreken zelfs ernstig te noemen zijn. Deze gebreken zijn veeleer wetenschap-technisch van aard en staan allen gedetailleerd beschreven in de Retraction paper. Hierbij wordt opgemerkt dat na de indiening van de Rectraction paper nog meer gebreken ten aanzien van de Corman-Drosten paper zijn vastgesteld.

Gesteld wordt dat de PCR-testmethodiek op zichzelf beschouwd als een goede wetenschappelijke testmethode kan gelden. Daarentegen zijn zij het unaniem erover eens dat de wijze waarop de PCRtest thans binnen Nederland en daarbuiten in de praktijk wordt toegepast volstrekt ongeschikt is om succesvol COVID-19 bij mensen vast te stellen.Eenvoudig gesteld, is het onduidelijk wat de PCR-test
bij het huidig gebruik ervan precies detecteert.


Ter zake merken cliënten op dat de oorspronkelijk uitvinder en ontwikkelaar van de PCR-test, de heer Kary Mullis, zelf steeds erop gewezen heeft dat de PCR-test als een uiterst gevoelig laboratoriuminstrument dient te worden beschouwd. Volgens de heer Mullis is de PCR-test bovendien slechts een techniek die bedoeld om genetisch materiaal te vermeerderen met het oog op vervolgexperimenten, niets meer of minder. Deze test heeft deze nooit tot doel gehad om als diagnostisch instrument virussen of infecties vast te stellen.

Een van de vastgestelde gebreken bestaat erin dat bij het huidig gebruik van de PCR-test om het COVID-19 virus te detecteren gebruik wordt gemaakt van niet-specifieke primers en probes. Hiernaast geldt dat de gebruikte primerconcentratie aantoonbaar vier tot vijf keer te hoog is, terwijl het van belang is dat wordt uitgegaan van een juiste primerconcentratie. Ook geldt dat bij twee tot drie van de in totaal zes bestaande primers het GC-gehalte beduidend te laag is; het juiste GC-gehalte behoort tussen de 40 en 60 procent te liggen, terwijl bij de gebruikte primers het GC gehalte tussen de 28 en 34 procent blijkt te liggen. Reeds deze enkele feiten maken dat de PCR-test gebaseerd is op een slecht wetenschappelijk ontwerp.
Voorts geldt dat binnen een primerpaar het temperatuurverschil hooguit een tot twee graden mag bedragen. Bij de huidige PCR-test bedraagt het temperatuurverschil bij een van de belangrijke genen circa tien graden. De heer Borger stelt dat hij vermoedt dat het RIVM onder meer om deze reden één gen, te weten dit betreffend gen, uit de PCR-test heeft verwijderd.

Zo ook is van belang dat ten aanzien van het COVID-19 virus de gehele RNA streng wordt onderzocht, dit om vast te stellen of men te maken heeft met de gehele streng en niet slechts met fragmenten ervan. Via de huidige PCR-testmethodiek worden onvoldoende delen van het virus gedetecteerd om te kunnen vaststellen of het daadwerkelijk het COVID-19 virus betreft. Om de aanwezigheid van het COVID-19 virus te detecteren is verder van belang dat een negatieve controle wordt toegepast, ingevolge waarvan de mogelijkheid dat andere coronavirussen worden gedetecteerd wordt uitgesloten. Ook deze exclusie vindt bij de huidige PCR-testmethodiek niet plaats.

Zoals eerder gesteld, heeft het RIVM hiernaast eigenhandig het aantal cycli verhoogd van >30 naar >35. Afgezien van het feit dat het wetenschappelijk niet toelaatbaar is om ‘tijdens het spel zomaar de spelregels te wijzigen’, kan ingeval van 35 cycli of meer een infectueus virus nauwelijks nog gedetecteerd worden. Dit is wetenschappelijk aangetoond. Tot slot geeft de PCR-test zowel vals positieve als vals negatieve uitslagen, als gevolg waarvan het van belang is dat in ieder geval bij een positieve testuitslag een tweede en bij voorkeur een derde PCR-test plaatsvindt om fouten uit te sluiten.

Ook onder meer Drs. Mario Ortiz Buijsse, biochemicus gespecialiseerd in de moleculaire genetica, heeft eerder al via de Tweede Kamer zijn ernstige bezwaren geuit ten aanzien van het huidig testbeleid. De heer Ortiz Buijsse stelt dat in Nederland het PCR-testbeleid aldus plaatsvindt dat grote delen van de bevolking lukraak worden gescreend om na te gaan of zij ‘besmet’ zijn. Volgens hem is de wijze
waarop de PCR-techniek daartoe wordt ingezet en geïnterpreteerd aantoonbaar onjuist.

Allereerst geldt volgens hem dat de PCR-test slechts bij hooguit 1 tot 2% van alle geteste personen leidt tot een ‘positief’ testresultaat. Op zich is het reeds opmerkelijk te noemen dat alle doorgevoerde coronamaatregelen louter op een dergelijk klein percentage gestoeld zijn.
Bij deze positief geteste personen wordt enkel de aanwezigheid van een brokstukje dood genetisch materiaal van het virus (viraal RNA) in het neusslijmvlies aangetroffen. Hoewel de kans laag is, valt niet uit te sluiten dat een positief PCR-testresultaat het gevolg is van een aangetroffen brokstukje van een ander verwant virus. Waar men ook op bedacht moet zijn, is dat dit brokstukje genetisch materiaal vanwege legio oorzaken al weken tot maanden lang in het lichaam van de betreffende persoon aanwezig kan zijn. De kans is bijgevolg reëel dat deze persoon al lang niet meer besmet is. Zo geldt ook dat op het moment waarop het RNA brokstukje wordt aangetroffen, niet bekend is of het virus in staat is om zich te repliceren.

Ondanks dat deze conclusie wel steevast door het RIVM en in haar kielzog de Nederlandse overheid wordt getrokken, houdt een enkele positieve PCR-testuitslag niet in dat de betreffende geteste persoon ook daadwerkelijk klinisch is geïnfecteerd, besmettelijk is, ziek is dan wel ziek gaat worden.
Deze persoon kan perfect gezond zijn en verder is de kans reëel dat dezelfde persoon bij een tweede PCR-test een negatieve testuitslag kent. Volgens de heer Ortiz stelt de PCR-test ons eenvoudigweg niet in staat om dergelijke conclusies hieraan te verbinden. Om dit te kunnen bepalen, zijn extra klinische parameters oftewel aanvullende medische onderzoeken door een (huis)arts nodig. Aangetoond dient immers te worden dat de betreffende persoon ook daadwerkelijk actief levend virus in zich draagt. De arts verricht daartoe symptomatisch onderzoek en kan bijvoorbeeld nagaan of er sprake is van voldoende saturatie, van koorts of van andere symptomen die aan COVID-19 gerelateerd zijn.

Overigens heeft de heer Van Dissel namens het RIVM zelf meermaals de noodzaak erkend van het doen plaatsvinden van bijkomend klinisch onderzoek ingeval van een positieve PCR-testuitslag, ter vaststelling of de positief getest persoon ook effectief drager is van actief virus. Ter zake verwijs ik u naar de mondeling verstrekte antwoorden door de heer van Dissel op de vragen van Tweede Kamerlid
Wybren van Haga tijdens de Technische Briefing d.d. 16 december 20205
.
Ook de heer Van Dissel erkent dat de PCR-test louter vaststelt of genetisch materiaal van het virus in het lichaam van een persoon aanwezig is en dat deze test niet per definitie aantoont dat deze persoon drager is van levend virus. Ook toont de test naar zijn zeggen niet aan dat een persoon drager is van levend virus waar men ziek van wordt. Bovendien stelt de heer Van Dissel dat het weinig zinvol is om
personen die geen symptomen vertonen of klachten ervaren te testen, omdat dan ‘vaak moeilijk te interpreteren valt wat er dan speelt’. In dit verband verwijs ik u naar de mondeling verstrekte antwoorden door de heer van Dissel op de vragen van Tweede Kamerlid Wybren van Haga tijdens de Technische Briefing d.d. 22 augustus 2020
.
In dit verband merken cliënten op dat ook de Wereldgezondheidsorganisatie aantoonbaar meermaals heeft aangegeven dat de PCR-testslechts als hulpmiddel bij de diagnose van COVID-19 dient te worden ingezet en dat elk resultaat van de test gecombineerd dient te worden met klinische observatie. Dat de overheid aan dit advies geen gevolg geeft, terwijl zij op andere vlakken aantoonbaar wel de
adviezen van de Wereldgezondheidsorganisatie volgt is merkwaardig.


Waar het huidig Coronabeleid ook eenvoudig overheen stapt, is dat het massaal testen van mensen onmiskenbaar leidt tot statistische fouten. Dit als gevolg van het feit dat de PCR-test in de specificiteit een foutmarge van 1-2% kent, wat niet valt te betwisten. Ter illustratie merkt de heer Ortiz Buisse op dat ingeval gedurende een week 200.000 mensen met de PCR-test worden getest, hierdoor sprake zal zijn van 4.000 (!) vals positieven. Oftewel 4.000 mensen die hierdoor onterecht in quarantaine worden
geplaatst, met alle gevolgen van dien.
5 Terug te zien via de YouTube video

6 Terug te zien via de YouTube video
.
7 WHO Information Notice for IVD Users 2020/05, Nucleic acid testing (NAT) technologies that use polymerase chain reaction (PCR) for detection of SARS-Cov-2.

Evenals de heer Borger, werpt ook de heer Ortiz Buisse op dat het wetenschappelijk ontoelaatbaar is dat het RIVM van de ene op de andere dag in haar richtlijn de CT waarde van >30 verhoogt naar >35 en hiermee zomaar het testbeleid aanpast. Sowieso geldt dat de diverse testlaboratoria ook nog eens verschillend van elkaar de PCR-test toepassen, elk volgens hun eigen testprotocol. Met andere
woorden, er geldt geen algemeen aanvaardbaar standaard protocol voor de beoordeling van de PCRtest om te concluderen of een persoon positief is.

Aanvullend stelt de heer Ortiz Buijsse dat de huidige coronamaatregelen uitsluitend worden gebaseerd op angst. Hierbij wordt door de overheid onterecht gebruik gemaakt van de term ‘besmettingen’ en ook worden toenames in de positieve PCR-testresultaten in de vorm van absolute aantallen aan de bevolking gepresenteerd.
Dit doorgaans na opgeschaald testbeleid binnen de GGD (in het kader waarvan ons kantoor over een betrouwbare getuigenverklaring beschikt). Voor de burger is hierdoor niet bekend hoeveel personen precies zijn getest en derhalve hoe de genoemde aantallen te begrijpen
zijn. Bovendien is de eerder geschetste foutmarge van de PCR-test niet in de genoemde aantallen verdisconteerd. Oftewel, het werkelijk aantal PCR-positief geteste personen ligt sowieso lager dan hetgeen gerapporteerd en gecommuniceerd wordt. Het feit dat de overheid haar burgers op deze wijze willens en wetens op het verkeerde been zet, is bijzonder kwalijk te noemen.

Conclusie: PCR-testresultaten vormen geen basis voor coronamaatregelen
In de situatie waarbij gebruik wordt gemaakt van een PCR-test die:
- aantoonbaar gebaseerd is op een ernstig gebrekkig onderliggend testprotocol (CormanDrosten);
- in het beste geval slechts in staat is om een dood brokstukje RNA van een virus bij een persoon te detecteren;
- niet uitsluit dat dit aangetroffen brokstukje RNA afkomstig is van een ander verwant virus;
- ter detectie van dit brokstukje virus-RNA onderhevig is aan wetenschappelijk ontoelaatbare doorgevoerde wijzigingen in het testbeleid;
- op meerdere foutieve wijzen in de praktijk wordt toegepast;
- op verschillende wijzen door de diverse testlaboratoria conform hun eigen testprotocol
Conclusie: PCR-testresultaten vormen geen basis voor coronamaatregelen
In de situatie waarbij gebruik wordt gemaakt van een PCR-test die:
- aantoonbaar gebaseerd is op een ernstig gebrekkig onderliggend testprotocol (CormanDrosten);
- in het beste geval slechts in staat is om een dood brokstukje RNA van een virus bij een
persoon te detecteren;
- niet uitsluit dat dit aangetroffen brokstukje RNA afkomstig is van een ander verwant virus;
- ter detectie van dit brokstukje virus-RNA onderhevig is aan wetenschappelijk ontoelaatbare
doorgevoerde wijzigingen in het testbeleid;
- op meerdere foutieve wijzen in de praktijk wordt toegepast;
- op verschillende wijzen door de diverse testlaboratoria conform hun eigen testprotocol wordt gebruikt;
- überhaupt niet aantoont of de betreffende persoon daadwerkelijk besmet, besmettelijk, ziek is of ziek gaat worden en dit vanuit haar aard ook niet kan;
- niet gepaard gaat met klinisch onderzoek door een arts die het voorgaande dient vast te stellen;

werpt zich de vraag op: waar is de overheid eigenlijk mee bezig?

Cliënten stellen dat de enige gerechtvaardigde conclusie die hieruit kan worden getrokken is dat geen enkele betrouwbare wetenschappelijke waarde kan en mag worden toegekend aan de testresultaten die uit het huidig gebruik van de PCR-test voortvloeien. Om diezelfde reden kunnen de gerapporteerde en gecommuniceerde positieve PCR-testresultaten op geen enkele wijze als basis dienen voor het gevoerde coronabeleid door de overheid.

Bijgevolg verzoeken en, voor zover nodig, sommeren wij namens cliënten het Ministerie van VWS en het RIVM om het huidig gebruik van de PCR-test ter detectie van COVID-19 per omgaand te staken, althans het gebruik ervan op zijn minst gepaard te laten gaan met standaard klinisch onderzoek door een arts. Deze arts kan alsdan per patiënt deugdelijk vaststellen of ingeval van een positief verkregen
PCR-testresultaat op basis van de eventuele symptomen daadwerkelijk sprake is van COVID-19. Dit leidt tot aanzienlijk betrouwbaardere uitkomsten dan thans het geval is.

Voorts verzoeken en, voor zover nodig, sommeren wij namens cliënten het Ministerie van VWS en het RIVM om haar huidige misleidende communicatie ten aanzien van de ‘besmettingscijfers’ zodanig te wijzigen dat hierover bij de burgers een correct beeld bestaat en de onnodig gecreëerde angstcultuur achterwege blijft.
- überhaupt niet aantoont of de betreffende persoon daadwerkelijk besmet, besmettelijk, ziek is of ziek gaat worden en dit vanuit haar aard ook niet kan;
- niet gepaard gaat met klinisch onderzoek door een arts die het voorgaande dient vast te stellen;werpt zich de vraag op: waar is de overheid eigenlijk mee bezig?

Cliënten stellen dat de enige gerechtvaardigde conclusie die hieruit kan worden getrokken is dat geen enkele betrouwbare wetenschappelijke waarde kan en mag worden toegekend aan de testresultaten die uit het huidig gebruik van de PCR-test voortvloeien. Om diezelfde reden kunnen de gerapporteerde en gecommuniceerde positieve PCR-testresultaten op geen enkele wijze als basis dienen voor het gevoerde coronabeleid door de overheid.

Bijgevolg verzoeken en, voor zover nodig, sommeren wij namens cliënten het Ministerie van VWS en het RIVM om het huidig gebruik van de PCR-test ter detectie van COVID-19 per omgaand te staken, althans het gebruik ervan op zijn minst gepaard te laten gaan met standaard klinisch onderzoek door een arts. Deze arts kan alsdan per patiënt deugdelijk vaststellen of ingeval van een positief verkregen
PCR-testresultaat op basis van de eventuele symptomen daadwerkelijk sprake is van COVID-19. Dit leidt tot aanzienlijk betrouwbaardere uitkomsten dan thans het geval is.

Voorts verzoeken en, voor zover nodig, sommeren wij namens cliënten het Ministerie van VWS en het RIVM om haar huidige misleidende communicatie ten aanzien van de ‘besmettingscijfers’ zodanig te wijzigen dat hierover bij de burgers een correct beeld bestaat en de onnodig gecreëerde angstcultuur achterwege blijft.


Graag vernemen wij binnen een termijn van 7 dagen na heden uw bevestiging daartoe, alsook vernemen wij dan graag uw toelichting op de wijze waarop hieraan praktisch uitvoering zal worden gegeven. Bij gebreke hiervan hebben wij opdracht van cliënten om over te gaan tot het treffen van rechtsmaatregelen, in welk geval de onderste steen zal worden bovengehaald. Een verzoek aan de rechtbank tot het doen plaatsvinden van een (voorlopig) getuigen- en deskundigenverhoor over het gebrekkige PCR-testbeleid sluiten wij dan niet uit.

Namens cliënten behouden wij ons alle rechten en weren voor.
Met vriendelijke groet,
Open Legal Advocaten

Sommatie aan van Dissel en deJonge om misleidende informatie, massa desinformatie en angstboodschappen te staken:

#covid19zwendel

www.tref.eu/4_5954118621348235470_1_.pdf .
Laast bewerkt: 2 weken 2 dagen geleden door katertje.
De volgende gebruiker (s) zei dank u: [Guzzi], dirko

Gelieve Inloggen om deel te nemen aan het gesprek.